1.5.1 Puzzelen

Toen u vanmorgen naar uw werk ging, loste u alle drie de puzzels op. U zit nu immers op uw werk, dus u hebt zeker de praktische puzzel op kunnen lossen: "hoe kom ik op mijn werk?" Dat kan waarschijnlijk per fiets, per auto, met het openbaar vervoer: er zijn alternatieven en dat zijn allemaal mogelijkheden, de ene oplossing is "handiger" dan de andere om die praktische puzzel zoals geformuleerd op te lossen maar ze kunnen alle even effectief zijn. 

Maar u hebt daarmee ook waarderingspuzzel opgelost: u hebt namelijk op z'n minst impliciet bedacht dat u vandaag naar uw werk zou moeten gaan. U had kunnen denken: "kan ik vandaag eigenlijk niet thuis blijven?" En het woordje "kan" wordt in dit verband gewoonlijk geacht "mag" te betekenen. Als u hierop bevestigend had geantwoord, had u misschien besloten thuis te blijven en was de praktische puzzel: "hoe kom ik op mijn werk?" niet voorgekomen.

Tenslotte hebt u ook een kennispuzzel opgelost. U hebt vanmorgen toch even bedacht dat het een werkdag was. Immers: alleen op werkdagen is de vraag en waarderingspuzzel aan de orde: "moet ik naar mijn werk?" Als u zich in de dag had vergist, of in de tijd vanmorgen, hadden alle andere puzzels er anders uit kunnen zien.

Zo moge duidelijk zijn dat ieder mens in het dagelijks leven voortdurend deze drie soorten puzzels oplost.

Wetenschappers zijn eigenlijk uitsluitend gericht op het oplossen van kennispuzzels; ethici zijn speciaal gericht op oplossen van waarderingspuzzels, technici en practici kunnen zich concentreren op het oplossen van praktische puzzels: in het dagelijks leven lost iedereen binnen of buiten een professie voortdurend deze puzzels op.

Normaliter vraagt dat ook in het geheel geen aandacht. Soms echter zijn de puzzels ingewikkeld en zeker als de praktische puzzels ingewikkeld zijn, kan het van belang zijn om dit onderscheid tussen de puzzels goed te maken en de puzzels stuk voor stuk te doordenken, en aandacht te schenken aan de wijze waarop op de oplossingen met elkaar samenhangen.

Voorbeeld uit de medische praktijk.

 

De arts ontvangt in de spreekkamer een patiënt. De eerste vragen van de arts zijn gericht op het oplossen van kennispuzzels: wat voor klachten heeft de patiënt?

Let wel: dit zijn kennispuzzels van de arts over de waarderingspuzzels van de patiënt: hoe erg vindt de patiënt wat er met haar of hem aan de hand is? Ook zijn het kennispuzzels over de (oplossingen van) kennispuzzels van de patiënt: "wat denkt u dat er aan de hand is?" De vraag van de arts: "wat hebt u er intussen zelf aan gedaan?" is een vraag naar de oplossing van praktische puzzel door de patiënt. Voor de arts zijn dit allemaal nog kennispuzzels.

De arts vraagt zich vervolgens af: "is hier iets ernstigs aan de hand?" en dit is haar/zijn eerste waarderingspuzzel. De arts vraagt zich dan af: "moet ik hier iets aan doen? En wat dan?" Waarderingspuzzels dus.

Veronderstel dat de arts deze oplost en concludeert: "Ja, ik moet er iets aan doen, ook al is het niet ernstig wat de patiënt aanbrengt. Ik mag er zeker naar streven dat de patiënt binnen een week klachtenvrij is. Hoe pak ik dit aan?" De praktische puzzel. De arts pakt een receptenblok en schrijft een medicijn uit; ook opgelost.