1.5.3 Medisch

De arts ontvangt in de spreekkamer een patiënt. De eerste vragen van de arts zijn gericht op het oplossen van kennispuzzels: wat voor klachten heeft de patiënt?

Let wel: dit zijn kennispuzzels van de arts over de waarderingspuzzels van de patiënt: hoe erg vindt de patiënt wat er met haar of hem aan de hand is? Ook zijn het kennispuzzels over de (oplossingen van) kennispuzzels van de patiënt: "wat denkt u dat er aan de hand is?" De vraag van de arts: "wat hebt u er intussen zelf aan gedaan?" is een vraag naar de oplossing van praktische puzzel door de patiënt. Voor de arts zijn dit allemaal nog kennispuzzels.

De arts vraagt zich vervolgens af: "is hier iets ernstigs aan de hand?" en dit is haar/zijn eerste waarderingspuzzel. De arts vraagt zich dan af: "moet ik hier iets aan doen? En wat dan?" Waarderingspuzzels dus.

Veronderstel dat de arts deze oplost en concludeert: "Ja, ik moet er iets aan doen, ook al is het niet ernstig wat de patiënt aanbrengt. Ik mag er zeker naar streven dat de patiënt binnen een week klachtenvrij is. Hoe pak ik dit aan?" De praktische puzzel. De arts pakt een receptenblok en schrijft een medicijn uit; ook opgelost.