1.7.3.2.3.7 Emergentie

Emergentie is het fenomeen dat er een nieuwe ordening op een hoger integratieniveau ontstaat, een kwalitatieve sprong. Het verschijnsel is vooral bestudeerd in het kader van de evolutietheorie. Door de koppeling van ontogenese en fylogenese ontstaan nieuwe koppelingen en mutaties. Als die mutaties vervolgens de selectie overleven, succesvol zijn in termen van fitness, vindt replicatie plaats. Men kan dit principe ook toepassen op organiseren. 

Hoe doe ik dat?

  1. U zorgt voor interne herhaling zodat op een bepaald moment een innovatie ontstaat;  
  2. U beschermt de innovatieve tegen bedreigende invloeden uit de omgeving door te zorgen voor afbakening
  3. U zorgt voorzichtig voor verbinding met de bestaande omgeving waardoor wederzijdse veranderingen ontstaan 
  4. U stimuleert synergie door optimaal gebruik te maken van interne bronnen (resources) en door een hecht projectteam te vormen
  5. U slijpt de innovatie bij (Lean, Kaizen), inclusief disfunctionele werkmethoden
  6. beseft dat elke nieuwe ordening (innovatie) kwetsbaar is tot de nieuwe manier van denken en werken is ingeslepen
  7. U bent terughoudend met transparantie. Open communicatie leidt paradoxaal genoeg tot chaos
  8. U erkent dat concurrentie en streven naar efficiëntie contra-productief zijn; er moet eerst een stabiele basis groeien. Dankzij herhaling en feedback ontstaan daarna pas nieuwe regels (kalibrering)
  9. U ziet in dat een goede innovatie een 'dissipatieve structuur' is die zich flexibel aanpast aan veranderende omstandigheden, aan een chaotische stroom of flux of aan rampen en catastrofes. U begrijpt dus ook dat daarmee complexiteit niet af- maar toeneemt. Nieuwe vormen verschijnen naast (en dus niet i.p.v.) de oude; er is sprake van stavoluties, gestapelde evoluties
  10. U begrijpt dat verandering een proces van assimilatie en accomodatie is. Assimilatie is de invoeging in het bestaande organisatieschema en denkpatroon, terwijl accommodatie de toevoeging behelst van nieuwe details waardoor het organisatieschema wordt gewijzigd en herordening ontstaat
  11. U weet dat iedere innovatie de bestaande situatie ontregelt, adviezen leiden tot sanering. Doorgaans is slechts 10 tot 25 % van de medewerkers bereid tot verandering dus moeten er nieuwe aantrekkers, andere regels etc. worden geintroduceerd.75% van het functioneren wordt grofweg bepaald door oud gedrag
  12. U bent op uw hoede voor het communicatieve probleem van de 'dubbele binding', een tegenstrijdige boodschap waardoor men het uiteindelijk altijd fout doet. "Kom nu eens spontaan met een plan!" In dat geval is verandering niet mogelijk.