x.Wereldmodel

  1. Legitimering: besturingsfilosofie

 

Besturingsfilosofie. De systeemtheorie wordt gelegitimeerd door de keuze voor EOVZ als wereld oriëntatie. Dit is het perspectief (stance) van de procesfilosofie. Ecologisch denken en duurzame systeem innovatie bepalen de kijkrichting. Het sociaal constructivisme wordt gebruikt als metatheorie. Deze benadering wordt ook wel omschreven als kritisch humanisme (zie overzicht van paradigma’s van Burell & Morgan). Deze wereldoriëntatie bepaalt de manier van denken en doen en kleurt de perceptie van de onderzoeker. Als paradigma keuze is dit perspectief bepalend voor de keuze van onderzoeksmethoden. De Leeuw spreekt van een Weltanschauung (De Leeuw), Focault noemt dit een discou

 

 

Een systeem is een holistisch, integraal concept. Het open systeem staat in interactie met de buitenwereld. Een systeem bestaat intern uit elementen en aspecten.

 

Deze integrale manier van kijken verschilt aanzienlijk van de analytische benadering, die in de lijn van Descartes is ontwikkeld. De empirisch-analytische benadering (zie wereldmodel I van Argyris) knipt de wereld op in overzichtelijke, op zichzelf staande losse onderdelen. De analytische benadering is mechanisch. Verandering vindt lineair plaats. De veranderaar (manager, bestuurder, veranderingsexpert neemt een exogene positie in en staat buiten het systeem. De empirisch-analytische benadering is atomistisch en fragmentarisch. 

 

De systeembenadering is een procesfilosofie. De actor vormt een denksysteem en is in staat invloed uit te oefenen. Via sociale interactie met de omgeving geeft de actor vorm aan zijn omgeving. 

Deze benadering betekent een andere wereldoriëntatie, een paradigmaverandering (Van Peursen, Kuhn). In de systeemtheorie spreekt men van een besturingsfilosofie. Deze benadering betekent een ingrijpende wijziging van de manier van denken, omdat uitgegaan wordt van complexiteit en onzekerheid

Deze organische benadering is toepasbaar op elk levensterrein. De systeembenadering implicieert inter- en transdisciplinaire wetenschapsbeoefening.

Deze benadering wordt ook in diverse disciplines toegepast, bijvoorbeeld in de economie door Hoogduin. Daarmee wordt ingegaan tegen de ‘mainstream’ van klassieke denkers, die uitgaan van maakbaarheid en beheersbaarheid (command and control). In de gezondheidszorg signaleert Heineman de overgang van een egocultuur en een eco-cultuur. 

Ik sluit aan bij de economische theorie van Vargo & Lusch (Dominant Service Logic). De basis van de economie bestaat uit dienstverlening. Dienstverlening vat ik op als uitwisseling van competenties. 

 

Het model van metacompetenties wordt in deze studie theoretisch onderbouwd en filosofisch gelegitimeerd. Dit model is compatibel met de CanMeds, de internationale standaard in het medisch onderwijs. Tevens komt dit model overeen met het Menselijk Activiteiten Systeem van Engestrom. Ook het model van een Complex Adaptief Systeem biedt verheldering. 

De filosofische uitgangspunten voor het model zijn ontleend aan pragmatisme, symbolisch interactionisme, taalanalyse, fenomenologie en algemene systeemtheorie. Al deze stromingen kunnen worden ondergebracht onder de paraplu van het sociaal constructivisme als metatheorie (overzichtsartikel Smaling in Kwalon). 

 

De systeembenadering is een procesfilosofie. Deze benadering past bij het postmoderne denken. De wereld is dynamisch, onvoorspelbaar, ambigu, contingent, altijd in beweging. Arygyris noemt deze benadering wereldmodel II. Binnen dit wereldmodel richt ik mij in het bijzonder op het ecologisch denken (Bateson). Van Dinten noemt dit de Externe Oriëntatie in Voledige Zin. De kleurentheorie van De Caluwé biedt een beschrijving van verschillende besturings filosofieen. Ecologisch denken (EOVZ) noemt De Caluwe witdruk denken. 

In het Cynefin model werkt Snowden vier kwadranten van leiderschap uit. Deze kwadranten geven een uitwerking van een simpele, gecompliceerde, complexe en chaotische omgeving. Deze indeling komt overeen met het model van Van Dinten. Het model van metacompetenties gaat uit van een complexe omgeving. Voor complexe problemen bestaan op voorhand (a priori) geen standaardoplossingen. 

 

De organische natuur vormt een belangrijke inspiratiebron (biomimicry) voor menselijke kennis en innovatie. Groepsprocessen kunnen worden vergeleken met het gedragspatroon van een wolk spreeuwen of een vlucht ganzen. Mensen maken samen met planten en dieren deel uit van de levende natuur. In vergelijking met dieren komen mensen slecht toegerust ter wereld. Zij zijn gedurende langere tijd afhankelijk van verzorging en opvoeding. 

 

Het model van metacompetenties sluit aan bij de evolutionaire psychologie. Menselijke activiteiten zijn gericht op adaptatie. In de loop van de evolutie bedenken mensen steeds nieuwe oplossingen voor hun complexe problemen. Mensen leren. Zij ontwikkelen competenties. ‘Experience shapes the braing’, aldus Jolles. 

 

Volgens Morgan maakt de systeembenadering gebruik van de hersenen (brains, centraal zenuwstelsel) als metafoor. De hersenen vormen een neuraal netwerk. Dit netwerk is zelfsturend: een centrale regie ontbreekt (Maturana & Varela). 

Als kernbegrippen bij deze metafoor noemt Morgan: organisch denken, zelfsturing en hologram. In de kleinste deeltjes komen de kenmerken van het geheel terug. Dit wordt ook wel fractaal werking genoemd. 

 

Naar analogie van de hersenen als netwerk kunnen ook individuen en organisaties worden opgevat als levende systemen (Beer, Wierdsma). De systeembenadering biedt een alternatief voor de metafoor van de machine. De machinemetafoor is bruikbaar om industriële productieprocessen te beschrijven en gaat uit van ‘command and control’. Het resultaat van verandering staat vooraf vast.

 

De systeembenadering ziet ontwikkeling als een non-lineair proces, waarvan de uitkomst vooraf niet valt te bepalen. De systeem benadering gaat uit van een organistisch wereldbeeld in plaats van een mechanistisch. 

Modern mechanisch denken (wereldmodel I) maakt plaats voor postmodern, evolutionair denken (wereldmodel II van Argyris). De systeemtheorie past bij wereldmodel II van Argyris. Tussen wereldmodel I en wereldmodel II bestaan grote verschillen (zie UMCG Leiderschapsprogramma):

 

Wereldmodel I:

     Lineair denken

     Mechanisch denken

     Gericht op eenvoudige of gecompliceerde problemen (waarbij de oplossing vooraf bekend is)

     Zoeken naar 1 oorzaak van een probleem

     Een oplossing

     Denken in termen van causaliteit (een oorzaak, een gevolg) of gebruik maken van correlaties

     Universele waarheid

     Enkelslag leren: de dingen goed doen, efficiënt uitvoeren

     Oplossingen voor een probleem worden gezocht binnen het bestaande kader

     Organisatieconfiguraties: machine bureaucratie, professionele bureaucratie

     Command and control

     Rendementsdenken

     Individu als homo clausus, persoonlijkheid als entiteit

     Experts dragen oplossingen aan

     Economisch uitgangspunt: schaarste

 

Wereldmodel II:

     Non-lineaire denken, procesfilosofie

     Organisch denken

     Gericht op complexe problemen of chaos (de oplossing is vooraf onbekend)

     Voor een complex probleem bestaan meerdere oplossingen

     Een oplossing voor een complex probleem kan via verschillende wegen (interventies) worden bereikt

     Dubbelslag en drieslag leren: de goede dingen doen

     Verandering betekent transformatie en het ontwikkelen van een ander denkkader (frame)

     Organisatieconfiguratie: netwerk, complex adaptief systeem

     Co-operatie en co-creatie

     Inventieve en creatieve oplossingen, ecologisch denken

     Actoroptiek: individu als Menselijk Activiteiten Systeem

     Mind als complex adaptief systeem: zelfsturing

     Economisch uitgangspunt: overvloed aan mogelijkheden tot competentie ontwikkeling

 

Bij wereldmodel II wordt uitgegaan van ontwikkelingsmogelijkheden. Het menselijk organisme is evolutionair in staat tot adaptatie aan de veranderende omgeving. Mensen kunnen leren. Een creatieve professional bedenkt inventieve en creatieve oplossingen voor complexe problemen. Voor complexe problemen bestaat op voorhand geen standaard oplossing. Meerdere oplossingen zijn mogelijk en worden gepresenteerd in de vorm van opties, alternatieven en scenario’s. 

De transitie van wereldmodel I (modern denken) naar wereldmodel II (postmodern denken) betekent een paradigma shift. Deze verandering impliceert een ingrijpende wijziging van assumpties, uitgangspunten en principes. Veranderen betekent leren. Transformationele verandering, waarbij ook assumpties en principes worden gewijzigd, wordt drieslag leren genoemd.

 

In de postmoderne maatschappij vinden transities plaats. Voorbeelden zijn te vinden in de zorg, openbaar vervoer, onderwijs, bankensector, energiesector etc. Rotmans spreekt van duurzame systeeminnovatie. 

Een duurzame systeeminnovatie betekent intensieve samenwerking in een organisatieketen. 

Het gebruik van internet om goederen te kopen in webwinkels betekende een systeeminnovatie. De invoering van de OV jaarkaart was een systeeminnovatie: trein, bus, metro en tram zijn in een ketenstructuur verbonden. 

Een voorbeeld is de transitie in de zorg. Vanuit wereldmodel I ligt de nadruk op ‘cure’. Er vindt een verschuiving plaats naar een ‘culture of care’. Deze transitie gaat langzaam en kost decennia. Kleine innovaties kunnen zorgen voor een omslag of kantelpunt (butterfly effect, hefboom effect). In de postmoderne tijd staat de zorg voor de patiënt centraal. Iedere patiënt is uniek en heeft specifieke persoonlijke behoeften, wensen en preferenties. Vanuit wereldmodel II (Argyris) wordt de zorg rondom de patiënt georganiseerd (zie besturingsfilosofie ziekenhuis Rotterdam). Sleutelwoorden zijn co-evolutie en co-creatie. 

De benadering is niet gericht op controle en beheersing (command and control), maar op het exploreren en ecologisch verantwoord leren benutten (exploiteren) van beschikbare materiële en immateriële bronnen, die benut kunnen worden om complexe problemen in de zorg op een inventieve en creatieve manier op te lossen.