2.1.4.7 Procesfilosofie

7     Procesfilosofie: Basismodel: input, throughput, output & outcome

 

Het basismodel bestaat uit de trits input, throughput (black box, informatie verwerking) en output & outcome. De input bestaat uit energie/materie, geld en informatie. In deze studie beperk ik mij tot data en informatie. Behalve voorspelbare uitkomsten ontstaan altijd onvoorziene neveneffecten (outcome), die een positief, neutraal of negatief effect hebben op het voorlopige resultaat. 

 

De input bestaat uit stimuli (prikkels). Voorbeelden zijn: somatische prikkels (zoals beelden en geluiden), energie, informatie, geld. 

De input bestaat uit informatie, afkomstige uit verschillende subsystemen. Subsystemen zijn verschillend, maar worden in de mindset (black box) op dezelfde manier verwerkt en getransformeerd. 

 

Indien een actor bestaat uit meerdere personen kan onderscheid worden gemaakt in subsystemen. Een gezin bestaat uit de subsystemen ouders, partners en kinderen. 

 

Levende, vitale systemen zijn gebaat bij variëteit (Ashby). Dankzij variëteit ontstaat een toename van complexiteit, een tendens naar chaos, waardoor het complex adaptieve systeem geactiveerd wordt zich aan te passen. 

Interne variëteit ontstaat door meer aandacht te besteden aan zwak ontwikkelde elementen (gedragscompetenties) en aspecten (metacompetenties). Verbetering van een specifieke gedragscompetentie kan een leerdoel zijn. Externe variëteit ontstaat wanneer de actor een andere sociale omgeving of context kiest en nieuwe contacten legt. Daarmee wordt een nieuw sociaal netwerk opgebouwd. Mensen gaan in een nieuwe context doorgaans anders functioneren. Door te functioneren in verschillende sociale contexten wordt variëteit bevorderd. Praktijkervaring op zich leidt niet tot toename van competenties (dat wil zeggen persoonlijke kennis en kunde). 

 

De throughputbetreft de verwerking van de input. In de black box wordt de input verwerkt. Data en informatie worden omgezet in kennis. Het model van metacompetenties maakt denkwerk inzichtelijk. Een complex probleem wordt in de black box vanuit meerdere invalshoeken (aspecten, metacompetenties) doordacht. 

 

In schema:

Ø  Onderstroom: psychologisch, sociaal, cultureel kapitaal

Ø  Bovenstroom: operationeel, intellectueel en innovatief kapitaal

 

De onderstroom is gericht op relationele aspecten (betrekkingsniveau). De bovenstroom betreft het inhoudsniveau. 

Operationeel, intellectueel en innovatief kapitaal worden ook wel omschreven als operationeel, tactisch en strategisch niveau. 

 

In het moderne denken (wereldmodel I) ligt de nadruk eenzijdig op de bovenstroom. De onderstroom wordt opgevat als storend en irrationeel. 

 

In het postmoderne denken (wereldmodel II) wordt de onderstroom gebruikt als ‘human resources’. Gedragscompetenties uit de onderstroom zijn inspiratiebronnen. Een voorbeeld is de betekenis van de belevings- of ervaringseconomie (experience). 

 

Output & outcome: competentieprofiel, portfolio, eco business model

 

Output en outcome van het denkwerk bestaat uit kenniscreatie. 

Door wisselwerking met de buitenwereld en dankzij interne interacties tussen de gedragscompetenties (elementen) ontstaan emergent onderscheidende eigenschappen. Deze nieuwe, unieke eigenschappen zijn niet te herleiden tot de afzonderlijke elementen van het systeem. Door combinatie van competenties ontstaat een verbindende patroon (Bateson).  De output van denkwerk bestaat uit betekenisverlening en waardencreatie (meaning, sense making, kennisvalorisatie, nieuwe spelregels/game changing). 

De resultaten van het informatie verwerkend proces (throughput) bestaan uit output en outcome. Output zijn de te verwachten resultaten. De outcome levert onvoorziene neveneffecten op als bijvangst. Bijvangst is vaak een aanzet voor nieuwe ontdekkingen. Bij creatieve processen zijn de uitkomsten vaak totaal anders dan voorzien. Bij toeval worden soms oplossingen ontdekt voor andere problemen (serendipiteit). Output en outcome genereren nieuwe ideeen. 

 

Het repertoire aan gedragscompetenties maakt het mogelijk om een gepersonaliseerde gereedschapskist van de actor (toolkit) samen te stellen en vast te leggen in een portfolio. Door gedragscompetenties te combineren ontstaat toegevoegde waarde (zingeving, meaning, sense making, value creation, innovatie). Toegevoegde waarde bestaat vanuit het perspectief van wereldmodel II niet primair uit geld, maar uit het bedenken ideeën, innovatieve producten en diensten. Een innovatief concept maakt integratie hiervan mogelijk. 

 

Een creatieve professional genereert inventieve en creatieve oplossingen in de vorm van concepten, ideeën, ontwerpen, arrangementen en innovatieve producten en diensten. De creatieve professional werkt dienstverlenend aan anderen en treedt op als ‘place maker’ (Van Limburg) en ‘design thinker’ (Stanford University).

 

Op competentie ontwikkeling kan worden gereflecteerd. Educatie in de postmoderne tijd bestaat uit het creëren van een reflectie ruimte, die het mogelijk maakt om ‘tacit knowledge’ te expliciteren. Human Resources Development gaat uit van menselijke mogelijkheden en talenten. Leren vindt plaats op de werkplek (in situ, in vivo). Onderscheid kan worden gemaakt tussen enkelslag leren, dubbelslag leren, deutero leren en drieslag leren. 

 

De output en outcome van projecten kunnen worden gedocumenteerd in een competentieprofiel, een portfolio. Portfolio is afkomstig uit de kunstwereld: een kunstenaar presenteert hierin zijn belangrijkste artefacten, zoals uitgevoerde projecten. 

Een competentieprofiel bestaat uit de explicitering van de tacit knowledge van de creatieve professional. In een portfolio wordt een gepersonaliseerd profiel gepresenteerd, bestaande uit competenties, die geordend zijn naar metacompetenties. 

De mindset vormt een zacht systeem. De vormgeving van een portfolio is afhankelijk van context. Het curriculum vitae wordt steeds aangepast aan de lokale omstandigheden.