2.1.4.9 Faciliterende veranderstrategie

Een actor, dat wil zeggen een Menselijk Activiteiten Systeem (MAS), kan op verschillende manieren sturen en gestuurd worden, zowel van binnenuit (intern) als van buitenaf (extern) 

Het Besturend Orgaan bestuurt het interne Bestuurd Systeem, maar is tevens in staat invloed uit te oefenen op de externe omgeving.

 

Personen worden extern gestuurd (passief) of oefenen omgekeerd zélf actief invloed uit  op de buitenwereld (interne sturing). 

 

De Leeuw maakt bij interne en externe sturing een onderverdeling op operationeel, adaptief en strategisch niveau. Deze indeling komt overeen met operationeel, intellectueel en innovatief kapitaal. De Leeuw beperkt zich in zijn model tot de bovenstroom van de metacompetenties (IQ). 

Sturing vindt plaats door het nemen van maatregelen. Sturingsmaatregelen betreffen het beschikbaar stellen van energie, geld en formatie, bijvoorbeeld nieuwe wet- en regelgeving. Competente personen (actoren) oefenen zélf actief invloed uit op de buitenwereld (BO - Omgeving)

 

Kenmerkend voor een competente actor is zelfsturing. Een zelfsturende actor vormt zijn eigen BO en stuurt intern zijn eigen BS aan. BO valt samen met BS (BO = BS)

 

In schema:

 

BESTURINGSFILOSOFIE 

Externe Oriëntatie in Volledige Zin

Ecology of Mind

Witdruk denken 

Wereldmodel II

 

 

Besturend Orgaan: uitzoomen op metacompetenties = Menselijk Activiteiten Systeem = CanMeds

 

Aspecten van het systeem:

 

Bovenstroom (IQ): operationeel kapitaal, intellectueel kapitaal, innovatief kapitaal

 

Onderstroom (EQ): psychologisch kapitaal, sociaal kapitaal, cultureel kapitaal

Synergie:                creatief kapitaal: output & outcome, kenniscreatie

 

 

BESTUURD ORGAAN

Elementen: inzoomen op issues c.q. gedragscompetenties (voorbeelden)

Innovatief kapitaal

 

Toekomstvisie, missie, 

Veranderingsstrategie 

Technologische innovaties (ICT)

Strategische samenwerking: allianties, keuze voor samenwerkingspartners

Intellectueel kapitaal

Inhoudelijk ontwerp van educatieve programma’s: thema’s

Methodiek, Didactiek

Onderzoeksmethoden en technieken

Projectmanagement, projectmatig creëren

Operationeel kapitaal

Inhoudelijke taken, verantwoordelijkheden, bevoegdheden; division of labor

Methoden, technieken, werkwijzen, handleiding voor gebruik van  gereedschappen

Operationeel management; zorg voor organisatorische randvoorwaarden (plannen, informeren, contracten afsluiten, financiele zaken regelen, administratie, huisvesting/accommodatie

Psychologisch kapitaal

Energie/conditie/fysieke fitness, senso-motoriek, basisemoties, gevoelens/gedachten, stressmanagement, motivatie,  zelfregulering/locus of control, zelfsturing, persoonlijke en professionele waarden

Sociaal kapitaal

Luisteren, samenwerken, coalities, partnerkeuze, conflicthantering, onderhandelen, coöperatie, teamvorming

Cultureel kapitaal

Taalgebruik, gebaren, gebruik van symbolen

Interculturele communicatie, gebruik multimedia, personal branding, vormgeving aan de organisatiecultuur, lidmaatschap van de clan of ‘tribe’, rituelen, sancties bij normoverschrijdend gedrag

 

Creatieve professional als transformationeel leider: BO valt samen met BS

 

De creatieve professional (transformationeel leider) als actor is in staat tot zelfsturing. In systeemtermen betekent dit dat BO en BS samenvallen. De creatieve professional bepaalt zijn eigen koers en geeft richting aan de toekomst, afhankelijk van de situationele mogelijkheden en omgevingsfactoren. Een creatieve professional toont situationeel leiderschap.

 

De creatieve professional vervult verschillende rollen (CanMeds);

 

     Innovator

     Onderzoeker

     Operationeel manager

     Professional

     Samenwerker

     Communicator

     Kenniscreator

 

G.H. Mead maakt een onderscheid tussen het ‘I’ en het ‘Me’. Me is de sociale rol, die men speelt. Een actor vervult steeds andere rollen in de interactie met de fysieke en sociale omgeving. De sociale rol wordt gestuurd of geprogrammeerd door een van de metacompetenties ofwel HRD kapitalen. Deze rol staat tijdelijk op de voorgrond en de andere rollen blijven (stilzwijgend, tacit) op de achtergrond beschikbaar. 

 

Luhmann maakt een vergelijkbaar onderscheid tussen Ego en Alter. In interacties communiceert het Ego via een van zijn Alters. 

 

Volgens Mead vormt het ‘I’ de creatieve bron van de persoon. Deze ‘kern’ is echter niet te vangen. De actor vormt een Menselijk Activiteiten Systeem, maar maakt hier zelf deel van uit. Dit leidt tot ‘strange loops’ (Hofstadter). De actor is ingebed in een omgeving (embedded), maar blijft gebonden aan de beperkingen van zijn bodymind/lijf (‘embodied’). 

In de natuurkunde wordt dit gegeven ook onderkend. De onderzoeker maakt zelf deel uit van de natuur en door zijn ingenomen positie wordt de waarneming beïnvloed (Heisenberg). 

Van Dinten wijst op het Gödel axioma. Het ‘I’ (zelf) is een axioma, dat niet te bewijzen valt. Dit is een aanname, een assumptie. Identiteit is vanuit een constructivistisch perspectief een tijdelijke, dynamische en veranderlijke constructie. De actor neemt wisselende perspectieven in en is in staat zijn sociale rollen (ofwel metacompetenties) te variëren. Afhankelijke van de situatie presenteert een actor zichzelf aan de buitenwereld, bijvoorbeeld door steeds zijn curriculum vitae aan te passen aan de context. 

Het model van metacompetenties gaat uit van wisselvallige, contingente situatie. 

 

Scharmer visualiseert dit op de volgende wijze:

 

Bij wereldmodel I staat het subject centraal in een gesloten cirkel (voorbeeld Amerikaanse president Trump)

 

Bij wereldmodel II is de cirkel open en bestaat uit verschillende schillen of lagen. Het subject vervult verschillende rollen en hiermee verschuift steeds het perspectief. De rollen cirkelen als het ware rondom de kern. Mind is een proces.