2.1.4.17 Soft systems CAS

Complex adaptieve systemen (Ackoff)

 

 

 

 

Ad 1) Mechanische systemen zijn deterministisch. Zij kennen geen doel en vervullen een functie in een geheel. Zij zijn onderworpen aan natuurwetten. Het zijn gesloten systemen zonder wisselwerking met de omgeving. Een klok is een mechanisch systeem. Een computer is eveneens een voorbeeld van een gesloten systeem. De denkmachine is afhankelijk van de input, bestaande uit gegevens. 

 

In de industriële tijd nemen machines veel werk over van mensen. Dankzij machines ontstaat massaproductie.  Een machine bestaat uit verschillende onderdelen.

Gebruik wordt gemaakt van universele natuurwetten. Het belangrijkste is het principe van causaliteit: oorzaak leidt tot gevolg. 

Omgevingsfactoren spelen geen rol. Mechanische systemen zijn gedécontextualiseerd. 

De oriëntatie is gericht op de input: A is de deterministische, causale oorzaak van B. 

Kenmerkend voor de industriële revolutie is het gebruik van de metafoor van de machine. De organisatie werkt als een machine. Medewerkers zijn radartjes van de machine. 

Managementtheorieën zijn gebaseerd op deze metafoor. 

Machine denken maakt gebruik van manipulatie van symbolen, bijvoorbeeld door te rekenen met getallen. Machine-achtige organisaties maken mechanische massaproductie mogelijk. Het lopende band systeem van automobielfabriek Ford is hiervan een sprekend voorbeeld.  

 

In de medische wereld kan de mens gezien worden als een machine. Dit is de consequentie van het denken van Descartes. Lichaam en geest zijn gescheiden. 

 

Ad 2. Animaal-organische systemen zijn levend en bezield. Het doel van een organisch systeem is overleven. Animaal-organische systemen zijn zelfscheppend (autopoësis). Alle delen zijn gericht op één doel, namelijk overleven.

Het menselijk lichaam kent verschillende animaal-organische subsystemen zoals longen, maag, hart en darmen. De menselijke corpus bestaat uit een hoofd en lichaam. Het hoofd representeert het denken. Uitgangspunt is dualisme, de splitsing tussen hoofd en lichaam en tussen denken en doen.

Het totaal is doelgericht, maar dit geldt niet voor de delen (subsystemen). Het doel bestaat uit overleven, uit adaptatie. 

Toegepast op organisaties leidt dit tot paternalisme en topdown sturing vanuit eén centraal punt. Voorbeelden zijn militaire organisaties, bureaucratische instellingen en autocratische (familie)bedrijven. Medewerkers voeren gestandaardiseerde taken en opdrachten uit, die van bovenaf worden opgedragen. Persoonlijke doelen of intenties van medewerkers zijn niet relevant. Medewerkers vervullen functies en zijn onderling uitwisselbaar. Het totale systeem is wel doelgericht. Het doel bestaat uit overleven, uit continueren van de activiteiten. 

 

Ad 3. Sociale systemen.  

Organische, evolutionaire biologische systemen zijn door Spencer omgezet in sociale systemen. Sociale systemen zijn organisaties zoals corporaties en universiteiten. Zowel de delen als het geheel hebben een doel. Kenmerken zijn: interacties, interdependentie, gebruik van communicatie en informatie. Nadelen zijn: teveel informatie, veel conflicten

Het systeem bestaat uit doelgerichte actoren (individuen, groepen), die interacteren. 

Elke medewerker stelt zijn eigen doel en is persoonlijk verantwoordelijk voor de kwaliteit van zijn werk. Computers nemen een aantal mentale taken over. De omgeving is complex en dynamisch. 

De delen (subsystemen) maken een keuze en lossen zelfstandig hun problemen op. 

Het klassieke management is onderdeel van het probleem. 

Voorbeeld van een (complex) sociaal probleem: de keuze om wel of niet een nationaal gezondheidssysteem in te voeren. 

Sociale systemen spelen flexibel in op vragen vanuit de omgeving naar productdifferentiatie en variatie. Dit vereist interne decentralisatie.

In de auto-industrie werd de Fordfabriek, die deterministisch-mechanistisch werd bestuurd,  weggeconcurreerd door General Motors, een bedrijf dat functioneerde als sociaal systeem. 

In een sociaal systeem bestaat een inherente spanning tussen centralisatie en decentralisatie. 

Gebruik wordt gemaakt van slimme technologie, bijvoorbeeld op het gebied van transport, logistiek en communicatie. Kenmerkend voor sociale systemen is interactie en  interdependentie. Gebruik wordt gemaakt van kennis, communicatie en informatie.

Zowel individuen als (sub)groepen streven in een sociaal systeem eigen doelen na.

Sociale systemen zijn democratisch. Het doel van een sociaal systeem is het maximaliseren van de waarde van alle betrokkenen (stakeholders). 

Een sociaal systeem is waarden gestuurd. In navolging van Griekse filosofen onderscheidt Ackoff vier waarden:

1.         Waarheid: wetenschap en technologie

2.         Overvloed: economische en maatschappelijke functie

3.         Goede: ethisch-morele maatschappelijke functie

4.         Schoonheid: esthetische functie (Ackoff, 1981: 38-39).

Een organisatie als sociaal systeem vormt een gemeenschap (community). 

 

Een mismatch ontstaat wanneer een sociaal systeem wordt bestuurd als een (deterministisch) mechanisch systeem. Gevolg: suboptimale prestaties. In tijden van crisis is het zinvol om tijdelijk gebruik te maken van een minder complex organisatiemodel en over te gaan op centrale sturing van bovenaf. 

 

Kenmerken van een sociaal (systemisch) model:

•          dynamische, complexe en onvoorspelbare omgeving

•          democratisch

•          interne markt: intern doorberekenen van de kosten van goederen en diensten (hieruit kan blijken dat de interne dienstverlening duurder is dan het benutten van externe marktpartijen c.q. outsourcen)

•          multi-dimensionele structuur: netwerk bestaande uit los gekoppelde units

•          functie van de units bestaat uit interne output

•          output bestaat uit producten of diensten

•          samenwerking tussen producenten en consumenten

•          interactieve planning

•          gebruik van ondersteuning bij het nemen van beslissingen (Decision Support System) en daarbij ter ondersteuning gebruik maken van goede software (FM: Digi Tafels!)

•          faciliteren van leren

•          monitoren van implementatie

•          elk ontwerp (design) wordt opgevat als een benadering (emergent design)

•          explicitering van assumpties

•          noodzaak om mechanisch-deterministische en animaal-organische besturingsmodellen te elimineren

 

Ad 4) Ecologische systemen vormen een combinatie van mechanische, organische en sociale systemen. Problemen in een dergelijke organisatie ontstaan door een mismatch tussen de filosofie/Weltanschauung en het gekozen organisatiemodel. 

 

De klassieke planning gaat uit van een formele procedure en een vastgesteld einddoel. 

Deze aanpak werkt niet in een dynamische en complexe omgeving. Interactieve beleidsontwikkeling leidt tot maatregelkennis. Maatregelkennis komt in de plaats van regelmaatkennis.

 

 

Aggregatieniveaus

 

Boulding geeft een overzicht van soorten systemen, die in de loop van de evolutie zijn ontstaan. Systemen worden steeds complexer.

 

  1. Het raamwerk
  2. Het uurwerk
  3. De thermostaat
  4. De cel
  5. De plant
  6. Het dier
  7. De mens
  8. Het sociale systeem
  9. Het transcendentale

Het raamwerk
Op het eerste niveau gaat het om systemen die niet veranderen en waarbinnen geen processen plaatsvinden (denk bijvoorbeeld aan een landkaart of een anatomische kaart van het lichaam).  Deze ‘statische’ systemen komen tot stand door een eenmalige richting en worden/kunnen niet meer veranderd.

Het uurwerk
Dit betreffen systemen waarbinnen zich processen afspelen welke gebaseerd zijn op vooraf bepaalde noodzakelijke bewegingen (denk hierbij aan eenvoudige machines, uurwerken e.d), ofwel mechanische systemen. Waarbij constant invoer noodzakelijk is en het systeem als ietwat complexer kan worden gezien.

De thermostaat
Dit betreft het zogenaamde besturingsysteem. Als voorbeeld wordt de thermostaat aangehaald: de essentiële variabel in dit systeem is het verschil tussen de waargenomen temperatuur in een ruimte en de gewenste temperatuur. Wanneer wijziging wenselijk is (bijvoorbeeld van 18 graden naar 21 graden), dan zal de thermostaat aan de ketel doorgeven dat die moet gaan branden en derhalve bestuurt de thermostaat de centrale verwarming. Het besturingsysteem is dus complexer van aard ten opzichte van het mechanische systeem en de rol van informatie is cruciaal.

Het organisme (cel en plant)
Hierbij gaat het om, wat Boulding noemt, cellen en planten. De cellen houden zichzelf in stand door middel van constante afstemming met de omgeving. Planten ontstaan wanneer groepen van cellen zich combineren tot organen met diverse functies  en waarbij dus functieverdeling optreedt (wortels hebben andere functies dan bijvoorbeeld bladeren). De cellen en planten worden ook wel organische systemen genoemd.

Het dier
Het dier heeft een grotere bewegelijkheid t.o.v andere organismen en ze hebben dan ookspeciale organen voor de invoer voor reuk,gehoor en aftasten. Het systeem ‘dier’kan zich hierdoor als het ware een beeld van zijn omgeving vormen.

De mens
De mens is in staat om abstract te denken en te reflecteren. Ofwel kan de mens als systeem niet alleen informatie over de omgeving verzamelen, maar deze informatie ook interpreteren, vergelijken en evalueren.

Sociaal systeem
Het sociale systeem bestaat uit meer mensen die op een of andere manier met elkaar verbonden zijn. Organisaties maken hier deel van uit, omdat zij immers menselijke samenwerkingsvormen die doelgericht samenwerken en een blijvend karakter vormen. Informatie en communicatie speelt hierbij een cruciale rol.

Transcedentale systemen
Het transcedentale systeem betreft een systeem waarin vragen worden gesteld waar geen eenduidige antwoorden op te geven zijn (denk bijvoorbeeld aan filosofie en religie).

Ieder systeem bezit de kenmerken van lagere niveaus en bovendien minimaal een meer. Mechanische systemen voegen tijdsgeboden processen toe aan statische systemen

Besturingsystemen verschillen van mechanische systemen doordat ze in staat zijn informatie te verwerken. Systemen zoals eenvoudige organismen en dieren zijn complexer dan besturingssystemen als het gaat om de wijze waarop ze met informatie omgaan. Ook het systeem van de mens heeft de complexiteit van de genoemde 6 niveaus. Denk hierbij aan het skelet (niveau 1), het hart (niveau 2), de regeling van de lichaamstemperatuur (niveau 3) en de functieverdeling tussen verschillende organen van het lichaam (niveau 4,5 en 6). Net zoals dieren kunnen mensen informatie over de omgeving verzamelen. De mens verschilt echter van een dier door het vermogen informatie te interpreteren, vergelijken en te evalueren. Het niveau van de sociale systemen voegt aan voorgaande niveau de relaties tussen mensen toe. Organisaties betreffen sociale systemen (niveau 8), waarin mensen blijvende samenwerkingsrelaties ontwikkelen welke gericht zijn op een doel. Deze systemen zijn dermate complex dat de organisatiewetenschap, om organisatie te begrijpen, noodzakelijkerwijs gebruik maakt van systemen op lagere niveaus, zoals statische en besturingsystemen. De complexiteit van  echte organisaties wordt dan tot eenvoudigere systemen teruggebracht.

 

(bron: internet)