3.3.1 Vervolgvragen

(nog ordenen naar hoofdstuk):  

  1.  Waarin verschilt wereldmodel I (modern denken) van wereldmodel II (postmodern denken; Argyris)
  2.  Wat is kenmerkend voor ecologisch denken (als variant van wereldmodel II) en waarom verschilt deze benadering van andere wereldoriëntaties (Van Dinten)
  3. Welke bijdragen leveren pragmatisme, constructivisme, fenomenologie, taalanalyse en discoursanalyse aan de onderbouwing van het model van metacompetenties
  4. Wat is de relevantie van concepten als  tacit knowledge (Polanyi), kenniscreatie (Nonaka & Tekeuchi) en kerncompetentie (Hamel, Prahalad) voor het model van metacompetenties
  5. Wat zijn belangrijke kenmerken van de maatschappelijke transitie in de postmoderne tijd. Wat is kenmerkend voor de Service Dominant Logic. Wat is de betekenis van Human Resources Development
  6. Wat is de relatie tussen het model van meta-competenties, CanMeds en het Menselijk Activiteiten Systeem (Engeström)
  7. Op welke wijze kan het model van metacompetenties worden beschreven als een open systeem
  8. Wat zijn de methodische en didactische implicaties en consequenties van het metacompetentie model
  9. Welke wetenschappelijke onderzoeksmethoden zijn bruikbaar
  10. Op welke wijze kan het ontwikkelde model worden toegepast op het gebied van Human Resources Development en kunstbeschouwingWelk inzicht levert de theorie en de toepassing van het model op in de vorm van ontwerpprincipes voor educatieve programma’s
  11. Wat zijn de beperkingen van dit onderzoek
  12. Tot welke conclusies en aanbevelingen leidt dit onderzoek naar metacompetenties