4.1.12 Conclusies

Het is weinig zinvol om hetzij aan evolutie, hetzij aan epistemologie het primaat toe te wijzen om als fundament te fungeren voor de wetenschap als geheel. Vanuit ontwikkelingsperspectief en binnen de cognitieve nis van de mens vallen beide begrippen samen. Evolutie is kennisontwikkeling. Daaruit kan men concluderen dat wetenschap een evolutionair karakter kent en dat, vorm volgt functie, het ‘wat & hoe van de wetenschap’ aan de evolutieleer ontleend dient te worden. Aangezien evolutie blind is, is het dan ook de vraag in hoeverre het zinvol is om wetenschap te plannen. Ook is het de vraag of het zinvol is om te investeren in vergaande clustering van onderzoekscapaciteit. Computersimulaties gebaseerd op evolutionaire wetmatigheden laten zien dat de inzet van vele, relatief domme robots ten goede kunnen komen aan de kans op ‘intelligente oplossingen’ terwijl de kwetsbaarheid van het geheel juist wordt verminderd. Ook rijst de vraag in hoeverre het zinvol is om een scheidslijn te trekken tussen toeval, pseudo- wetenschap, kunst en zogenaamde echte wetenschap. Pas achteraf wordt, en bovendien altijd voorzien van een houdbaarheidsdatum en naar heersende meningen van dat moment bepaald wat ‘echte’ wetenschap is geweest, net zoals dat bij kunst het geval is. De epistemologie geeft richtlijnen voor de wetenschap maar die kunnen ook gaan fungeren als keurslijf en daarmee de groei onnodig beperken. Wetenschappelijke bevindingen, al of niet gebaseerd op toeval, dwingen ons voortdurend de epistemologie te herzien. De diepere fundering is het terugkoppelingsmechanisme tussen beide, en daarmee de samenspraak tussen vertegenwoordigers van beide groepen. Hoewel de implicaties groter zijn, is qua principe het kiezen tussen rivaliserende methoden niet veel anders dan het kiezen tussen ideologieën dan theorieën en kan men allen alleen achteraf afrekenen op hun bijdrage. De vraag of een protocol, een bepaalde procedure, een bepaalde werkwijze, een bepaalde school of een bepaalde ideologie iets zinnigs oplevert, kan dus niet op voorhand worden beantwoord, maar zal in samenspraak met onderzoekers in een betreffend gebied voor een bepaalde tijdsperiode moeten worden beantwoord en is afhankelijk van de intenties waarmee, de belangstelling voor, de atitude en de context waarin men werkt. Daarmee doet het individuele via de achterdeur dus toch weer gewoon haar intrede. Kortom, Art is I, Science is We. Ergo: Scientist are artists?