5.16 Losse eindjes

Restjes: (pijler ipv peiler)

Deel !!: Teleologische paradox

Leading Quotes:

- I is art; we is science (Claude Bernard, 1865)

- The easier it is to say what a work is about, the less interesting it becomes

 Groei, maar waar heen en hoe?

De term groei verwijst naar een ontwikkeling in een bepaalde richting en dat leidt in combinatie met het doorbreken van bestaande (eigen) denkkaders en daarmee van de bijbehorende waarden tot een probleem. Dit impliceert namelijk dat er, althans tijdelijk, waarden wegvallen die –voordien- normaal gesproken de teleologische leidraad voor het denken van de betreffende persoon vormden!. Daarmee rijst de vraag wat dan de richtinggevende factor is bij kenniscreatie op dit hoogste niveau. Juist in dit kader is het van belang te beseffen dat kenniscreatie, juist ook op het hoogste niveau, altijd een vorm van probleem oplossen is (Dewey, 1930; de Groot, 19..). Tegenstellingen en paradoxen die speelden op het  aanvankelijke niveau –de Möbiusring van de mier, de fasen 1-5 van het ontwikkelingsproces van de Groot, verdwijnen, lossen op in synthesen op het hogere niveau 6. Hoewel de exacte procesgang nog onduidelijk is, kan men veronderstellen dat het ervaren van een probleem of tekort niet alleen de eerste fase in het proces van kenniscreatie vormt, zoals de Groot veronderstelt in zijn empirische cyclus, maar in elke fase(wisseling). Paterson illustreert dit heel grappig in zijn evenzo gesloten en cyclisch “beslissingsproces” Informatie -> conclusie – beslissing -> uitvoering. (ICBU)  Binnen elke fase van dit proces speelt zich het hele ICBU proces ook weer af. En  daar binnen ook weer, en zo vervolgens. Het is een fractal, wat Hofstadter (in Gödel, Escher, Bach) een “selfrep” noemt, een zich zelf voortdurend herhalend proces. Ook het kenniskunstenaarschap staat continue in het teken van wat Seltz (1940) een Aufgabe noemde. Het probleemoplossingsproces schept als het ware vanzelf een nieuw waardekader op metaniveau. 

Gezien het maatschappelijke belang van kenniscreatie is het niet verwonderlijk dat zowel individuen als organisaties elkaar proberen te vinden in wat men enigszins paradoxaal ‘programmeerbare creativiteit’ zou kunnen noemen. Maar net als authenticiteit, waar overigens ook iedereen naar op zoek is, is creativiteit een hoog effectief middel, mits niet ingezet voor haar eigen doel’. Dit impliceert dat men vanuit bestuurlijk perspectief uitsluitend creativiteit kan bevorderen door te faciliteren en dus juist de greep om de kunstenaar los te laten. Men kan in principe op uiterst doelmatige wijze een omgeving creëren in termen van infrastructuur, logistiek, vrijheidsgraden, beslissingsruimte etc. zodat de kans op het ontstaan van kenniskunstenaarschap optimaal is. Op individueel niveau spreekt men van drieslagleren; op collectief niveau hanteert men de term lerende organisaties. Gezien de aard van het groeiproces, een iteratief proces van emergentie waarbij bovendien steeds cognitieve orgasmen dienen op te treden, is het echter de vraag hoe realistisch dit streven is. Tot fase 5 gaat het meestal redelijk goed. Afhankelijk van mentale capaciteiten en training verlopen zeker bij hoogopgeleiden de fasen 1 tot en met 5 zelfs vrij routinematig. Ons onderwijssysteem traint namelijk vooral het logisch en analytisch denken en reikt ons daarvoor ook bewust heuristieken aan. Zo oefenen we in ons wiskundeonderwijs uitvoerig met substitueren en in ons taalonderwijs met metaforen. Die bewuste training passen we veel minder toe als het om de zesde fase gaat. Daarin wordt juist een appel gedaan op het ter discussie stellen van algemene uitgangspunten en dat gebeurt binnen ons onderwijsstelsel zelden, zelfs niet in het universitair en hoger beroepsonderwijs. Een verklaring daarvoor zou kunnen zijn dat het kunnen loslaten van referentiekaders een hoge mate van cognitief-emotionele ontwikkeling die het mogelijk maakt om geestelijk jong te blijven, avontuur te zoeken, kortom te leven als homo ludens. Velen bereiken dit niveau pas laat in hun leven en hebben dan de HBO of universiteit al lang verlaten. Binnen het expliciet op creativiteit georiënteerde onderwijs, zoals kunstacademies, bestaat deze traditie al langer, maar daar vindt nauwelijks kenniscreatie in academische zin plaats. Een herstel van de oude integratie tussen kunst en wetenschap zou hier wellicht uitkomst bieden. 

Woruber mann nicht sprechen kann…
Op het moment van creatie is voor niemand, ook voor de kenniskunstenaar zelf niet, duidelijk of de verbetering van het persoonlijke denkrecord Deze metafoor klopt niet. De prestatie zit niet in het denken maar in het product, het resultaat daarvan. ook erkend zal worden als een absoluut wereldrecord (*). Voor de kenniskunstenaar doet dat er in principe ook niet toe want hij of zij is primair bezig met het oplossen van zijn eigen probleem. Daarvoor is uiteraard wel infrastructurele ondersteuning nodig, maar de kunstenaar gaat het primair om de puzzel. Het totstandkomen (genese) van een kennisproduct (dienst en/of gedachte) daarbij dat zowel origineel als waardevol blijkt te zijn voor problemen van anderen is pas van secundair belang. Maar als men behalve persoonlijke waarden ook maatschappelijke waarden of kaders weet te transformeren, is sprake van een ‘big bang’. Persoonlijke waarden vervangen dan oude denkkaders door ideeën die blijkbaar cultureel waardevol zijn. Om dit laatste te bereiken is aanzienlijk meer nodig dan alleen een revolutie op intrapsychisch niveau. Op de eerste plaats moeten de intellectuele barrières van de peergroup worden doorbroken. Onderzoekers wisselen hun gedachtegoed formeel uit in wetenschappelijke tijdschriften, maar publicatie vindt alleen plaats na goedkeuring door vakgenoten. Ook patenten en octrooien worden verleend op basis van peer-review. Dat vergt het verwoorden van de gedachtesprong, waarbij men alleen voor de aanloop en afsprong gebruik kan maken van een gemeenschappelijk begrippenkader. De sprong zelf is doorgaans überhaupt niet in woorden te vatten (het brein is immers breinblind (dat is nog een probleem apart) ), laat staan hoe we ‘anders’ denken. Maar ook voor de landing ontbreekt het vocabulaire en begrippenkader. Een echte paradigmashift valt aanvankelijk dan ook vrijwel niet uit te leggen, hooguit m.b.v. metaforen aanschouwelijk te maken. Het is precies hier waar het kenniskunstenaarschap een cruciale dubbelrol speelt. Niet alleen dient men bestaande kaders te doorbreken, maar daarbij tevens het (voor anderen) onzichtbare of onbegrijpelijke communiceerbaar te maken. Als daarna langzamerhand de woorden en gegevens komen, gaat ook de peergroup begrijpen waar het om gaat en ontstaan langzaam maar zeker de eerste toepassingen van de nieuwe kennis. Dan staat men weer aan het begin van een nieuw evolutieproces van duurzame kennis, zij het op een hoger niveau dan voorheen. Als die transformatie naar een niveau hoger niet plaatsvindt, vindt uitputting van het bestaande paradigma plaats zoals beschreven door Kuhn; een situatie vergelijkbaar met Escher’s Band van Mobius.

Hoe goed men zijn best ook doet, evaluatief onderzoek genereert wel informatie die bruikbaar is voor bijstelling van gehanteerde begrippen en theorieën (de mieren lopen naar boven), maar leidt niet tot echt vernieuwende inzichten. Als men maar vaak genoeg dit ‘rondje rond de kerk ‘ heeft gemaakt, treedt onvermijdelijk uitputting op (de mieren lopen wel vooruit, maar in feite naar beneden). Als de paradigmashift wel optreedt en het nieuwe paradigma vruchtbaar blijkt, is sprake van een wetenschappelijke revolutie die vaak grote maatschappelijke gevolgen heeft. Of die gevolgen positief dan wel negatief zullen uitvallen is door niemand en dus ook door de kenniskunstenaar goed te voorspellen. Het lot van iedere wetenschappelijke vinding of ontdekking ligt in de hand van de (toekomstige) gebruiker (Latour, ).  Mede daardoor kan de scheiding tussen wonderkind en total loss dun zijn of, zoals het zelfverklaarde Ubergenie Salvador Dali het verwoordde: “Het enige verschil tussen mij en een gek is dat ik niet gek ben”. Wie behalve het eigen denkkader ook culturele kaders doorbreekt, doet dit vaak m.b.v. een zogenaamde tegentraditie (vergelijk Hegel’s these, antithese en synthese). Het veranderen van context (reizen, verandering van discipline etc.) is een belangrijk hulpmiddel om op vernieuwende ideeën te komen. Het werken op het snijvlak van disciplines, bijv. de psychosomatiek in de geneeskunde, is sterk stimulerend voor creativiteit juist omdat men vanuit verschillende referentiekaders naar identieke problemen kijkt. Hoewel zeer stimulerend op individueel en interpersoonlijk gebied is het inslaan van een radicaal nieuwe weg alleen onvoldoende om tot wetenschappelijke onsterfelijkheid te komen. Het nieuwe paradigma zal daartoe publiekelijk (i.c. politiek, religieus, (wetenschaps)filosofisch En bij voorkeur ook gewoon fysisch) moeten worden erkend als beter dan het oude. En daarmee gaan sociale selectiemechanismen een rol spelen, zoals ook Galilei aan den lijve ondervond.  

De evolutie van ideeën
Sinds Darwin en Mendel weten we dat eigenschappen van mensen, of liever hun dragers, de genen, een zo groot mogelijke verspreiding nastreven. Replicatie, selectie en mutatie zijn daarbij de werkzame mechanismen. Van recenter datum is het idee dat ook ideeën zich onder informatiedragers (mensen) verspreiden. Dawkins (1976) introduceerde hiervoor de term meme bij het grote publiek in zijn beroemd geworden boek The Selfish Gene. Net zoals een gen de eenheid is van biologische evolutie, is een meme een zichzelf vermeerderende eenheid van de culturele evolutie. Net zoals dat voor genen het geval is, geldt ook voor memen dat ze uitsterven als ze zich niet via replicatie en mutaties weten aan te passen aan het culturele klimaat. Memen verspreiden zich via imitatie en verspreiden zich daardoor veel sneller dan genen. Volgens de memetica is het succes van een meme, en in het verlengde daarvan dus van de kenniskunstenaar, zowel afhankelijk van de aard van de mutatie als van de besmettelijkheid ervan als informatiepatroon. Anderen, en dan vooral gezaghebbende collegae, moeten de meme overnemen d.w.z. imiteren en daarmee repliceren in hun brein. Vervolgens verspreiden zij via hun netwerk de meme verder en wordt daarmee in het collectieve gedachtegoed verankerd. Deze verspreiding is voor een belangrijk deel onzichtbaar. Pas als daar een expliciete aanleiding voor is, openbaart zich het feit dat veel en bij voorkeur gezaghebbende personen een gemeenschappelijk nieuw denkkader hanteren. Gladwell wijst in dit kader op het epidemische karakter van hypes en spreekt van een Tipping Point (2000). Op een bepaald moment is een bepaald idee of beweging er gewoon en valt ook niet meer tegen te houden. Aan de oppervlakte voltrekt zich ogenschijnlijk plotseling een culturele revolutie, maar onderhuids was al veel langer sprake van een evolutie van een of meer memen. Begin jaren 60 van de vorige eeuw waren de Beatles het icoon van de nieuwe generatie, maar wie naar de muziek van andere bands uit Liverpool luistert, kan de Beatles niet of nauwelijks van hun tijdgenoten onderscheiden. Ook dicht men niet zelden het primaat van bepaalde ideeën aan de verkeerde persoon of groep toe. In het kader van dit betoog is het van belang er op te wijzen dat niet Richard Dawkins het begrip meme introduceerde, maar de psycholoog Clare W. Graves en wel reeds in 1959!  Wat deze voorbeelden illustreren is dat resultaten en processen in creatieve zin slechts indirect te beïnvloeden zijn. Men kan hooguit een klimaat scheppen, waarin wetenschappers de ruimte en vrijheid hebben om ‘anders’ te mogen zijn. Deze ogenschijnlijk simpele voorwaarde botst steeds meer met de heersende bestuurlijke opvattingen van beheersing en egalitarisme. In deze bijdrage wordt opgeroepen de gesignaleerde spagaat expliciet te agenderen en te komen tot verdraagzaamheid jegens creativiteit als vorm van sociale ongelijkheid.  

Implicaties voor wetenschapsbeleid
Hoe groter de belangen, des te groter de angst om het oude los te laten. En terecht! Kenniskunstenaars en hun memen zijn niet altijd constructief. Zoals reeds werd opgemerkt, kan het opschakelen naar een fundamenteel hoger niveau van kennis ook desastreuze gevolgen hebben. Ook kan, op de lange termijn, een niet-productieve aaneenschakeling van ogenschijnlijk productieve opschakelingen ontstaan. Ruis (2008, www.fractal.org) wijst in dit kader op het fractalkarakter van innovatie. Het is daarom essentieel dat de kenniskunstenaar, bij het communiceerbaar maken van het dan nog onbegrijpelijke, in permanente verbinding staat met de cultuur of kennisgemeenschap waarvan hij of zij deel uitmaakt. Feedback kan van belang zijn om rampen te voorkomen, maar ook om het ontstane begrip over te dragen aan anderen en daarmee beter te overleven. Een dergelijke interactionele en communicatieve benadering stelt eisen aan de kenniskunstenaar, vooral in termen van angsttolerantie want voor echt grote sprongen bestaat geen vangnet, maar ook in termen van communicatie. Ook aan de vertegenwoordigers van de (wetenschappelijke) cultuur worden hoge eisen gesteld. Zij dienen er zorg voor te dragen dat op de eerste plaats kenniskunstenaars de ruimte krijgen om te muteren. Vervolgens moet men het nieuwe kenniskader niet al te strikt hanteren als nieuw dogma i.c. selectiemechanisme. Zodra de nieuwe kennis tot norm (gedragsvoorschrift) wordt verheven, de oude paradox is opgeheven, stopt immers het creatieve proces op het hoogste niveau. Niks hoor! Gaat gewoon op zoek naar de volgende grens Nu we als mensheid steeds meer behoefte hebben aan kenniskunstenaars, en creativiteit een steeds meer onderscheidende competentie wordt, zullen we onze mutantanten, non-conformisten en dwarsdenkers moeten koesteren. Een verstandige koning (de bestuurder) luistert niet alleen goed naar zijn hofnar (de mutant), maar geeft hem ook speelruimte en zet daarmee het proces van natuurlijke selectie even in de wachtstand. Feedback vraagt namelijk even tijd, zeker als het om complexe vraagstukken gaat. En uiteraard gaat er ook nog wel eens wat mis. No fool, no fun!

 ------------------------------------------

NOG MEER LOSSE EINDJES; wel niet erin verwerken?

Associatie van gedachten is een kwestie van ‘aantrekkingskracht’. Aantrekkingskracht is geen gravitatie maar gevolg van veld met Higgs-deeltjes. De context bepaalt dus de ‘kortste route’ en niet de twee losse gedachten zelf. 

Logica is lineair (kortste verbinding tussen twee polariteiten)  binnen 1 paradigma; poliparadigmatisch werken impliceert het hanteren van diverse lijnen boven elkaar; transversaal of lateraal denken is het verbinden van P1 met P2. 

Ken Robinson (zie ook Daniel Pink) formuleerde aantal uitgangspunten voor onderwijs:
1. Menselijke creativiteit en vooral leervermogen van kinderen  is gigantisch
2. We hebben geen idee van de toekomst
3. Creativiteit is even belangrijk als geletterdheid
4. Creativiteit vraagt angsttolerantie; wie geen fouten durft te maken is nooit creatief!
5. Hiërarchie: rekenen, letteren, humaniora, kunsten (schilderen, muziek en daarna pas , drama en dans)
6. Huidige opleiding representeert industrialisatie en daarmee vallen creatieve mensen buiten de boot
7. Intelligentie: divers, dynamisch en distinct (onmiskenbaar, klip en klaar)

Objectiviteit en generaliseerbaarheid los van de pers.opvattingen van de ontdekker,  zijn de peilers voor natuurwetenschappen. De ontwikkeling van 'betrouwbaarheid':
1. reputatie van de bron: oudheid van de tekst, representant van welke school (door wie opgeleid? 
2. reproduceerbaar experiment →
3. reputatie van de bron: → gentlemen-onderzoeker dwz waarheidssprekende woordhouders die financieel onafhankelijk waren
4. reproduceerbaar experiment (deductie)
5. accent op methode en instituut (ipv persoon)
6. kennis vervreemdt van onderzoeker die steeds minder vanuit roeping en steeds meer vanuit beroep werkt; denkers  worden doeners en schaalvergroting maakt van universiteiten productiecentra met researchmanagers
7. Carrière ipv roeping dus doel is niet meer waarheidsvinding, maar om zoveel mogelijk selectiemechanismen te ‘overleven’ : 
8. idee → 
9. lokale publ → 
10. int. Publ → 
11. replicatie → 
12. int.publ anderen→ 
13. theorie/leerboek
14. Steeds ‘kleinere mensen’ doen steeds ‘grotere’ ontdekkingen, maar zijn niet in ontdekken geïnteresseerd, maar in hun carrière. Men is ambitieus ipv gepassioneerd
15. Reputatie van de bron: Postmodernisme lost ‘teveel’ aan kennis op  door track record/portfolio/reputatie (terug bij 1)

 Nu;   onderzoeker heeft geen persoonlijke eigenschappen, maar is representant van school, waarbij  betrouwbaarheid geen 'afwijkend gedrag' verdraagt (dus ook geen 'helden meer'). Er zijn heel veel ‘relatieve’ waarheden; context bepaalt (Aristoteles; deugd en waarheid liggen in het midden, maar context bepaalt beetje meer of minder van A of B)

Popper/Quinne waarheid is sociaal construct dat vooral afhangt van de eerdere aannames gedaan door vakgenoten → jarenlang training dus uniformering ipv diversiteit

Opkomst pragmatisme: wie geneest heeft gelijk/eindgebruiker bepaalt de werkelijkheid (arts & piloot ipv Fysioloog en vliegtuigbouwkundige) 

Opkomst risicomanagement ; who needs truth if it’s dull?

2009: vermenging culturen bedrijfsleven nne univeisteit (ondernemende universiteit) vooral op gebieden als life sciences: 

- Kleinere eenheden

- sturing op resultaat en valoriseerbare producten: wetenschap begint als roeping mar eindigt als gewoon beroep

De pioniers en kunstenaars vertrekken naar elders..

 Maar…‘relatieve waarheid is  inmiddels alweer  achterhaald.

Het geïnspireerde genie zoals bijvoorbeeld een betrokken behandelaar  verhoudt zich  slecht met democratische, maar bureaucratische zorg op basis van EBM. Kafka, Orwell: Liever elitaire willekeur dan zielloze systemen.

In hoeverre hier sprake is van ‘uitdijende waardenpolariteiten’ is de vraag ☺. 

Dit model maakt het mogelijk diverse ‘mentale universa’ te onderscheiden,  paradigmata. Een paradigma is een lineair-logisch geheel van mentale veldlijnen in het brein-heelal. Af en toe is sprake van een doorkijkje: tussen twee vormen van lineaire logica wordt m.b.v. ‘lateraal denken’ (de Bono) een soort wormgat gecreëerd, met een paradigmashift tot gevolg. Dit idee sluit de cirkel tussen het individuele brein en het heelal; op zich niet logisch want beide zijn conceptueel het gevolg van hetzelfde denkproces. De mens kan niet buiten zijn eigen brein noch heelal denken.