2.7 Begrijpen

Begrijpen of begrijpend denken verwijst naar het beschikkken over een (allesomvattend) inzicht. 

Hoe doe ik dat?

  1. weet hoe iets werkt en welke mechanismen en wetmatigheden daarbij een spelen. U kunt iets feitelijk uitleggen, u verklaart
  2. U bent in staat over een bepaald fenomeen een betekenisvol verhaal te vertellen. U beseft waarom iets van belang is, door het in een historische, culturele of persoonlijke context te plaatsen en maakt onderwerpen persoonlijk of toegankelijk via beelden, anekdotes, analogieën en modellen. U interpreteert
  3. U gebruikt een bepaald fenomeen effectief dat wil zeggen als functionele bouwsteen in een bepaald betoog om een opdracht of probleem op te lossen. U doet als het ware een gedachtenexperiment waarbij u oude redeneringen transfereert naar nieuwe contexten, u past toe

  4. U ziet het grote plaatje, beseft zowel wat de bedoeling van de te leren handeling is als dat u deze handeling dient te leren. Dat vergt een kritische blik en zo nodig stellen van vragen ter verduidelijking. U gaat pas aan de slag als de bedoeling en uitvoering helder zijn, u heeft perspectief
  5. U kunt zich voorstellen hoe het is om een bepaalde handeling in de praktijk uit te voeren. Dat veronderstelt ook inzicht in het niet-weten van de ander, welke kennis aanvullend is en het begrip bij de ander (en dus ook bij zichzelf) vergroot. U kunt zich inleven
  6. U realiseert zich dat men altijd vanuit een bepaalde persoonlijke voorkeur naar nieuwe kennis kijkt. Als die nieuwe kennis aansluit of voortborduurt op de oude is begrijpen relatief gemakkelijk. Als er echter sprake is van nieuwe kennis die haaks staat op de oude, ontstaat weerstand. De nieuwe kennis gaat dan ten koste van bestaande opvattingen of inzichten. Dat vraagt om verwerking.